Baanbrekend plan?
Persbericht VEV
Het Vlaams Economisch Verbond deelt de bekommernissen van de federale regering om zoveel mogelijk jongeren in het arbeidsproces te betrekken. Maar het startbanen-voorstel van minister Onkelinx is vooral geïnspireerd vanuit Waalse bekommernissen. Vlaanderen heeft immers niet zozeer een probleem van jeugdwerkloosheid, dan wel een probleem van te vroege uittreding uit de arbeidsmarkt. Ook het verplichtend karakter is niet de juiste weg.
Hoewel het voorstel-Onkelinx nog een lange weg heeft te gaan, wenst het Vlaams Economisch Verbond nu reeds te reageren. Het VEV deelt met minister van tewerkstelling en arbeid Laurette Onkelinx de bekommernis om zoveel mogelijk jongeren in het arbeidsproces te betrekken. Bedrijven hebben hierin als maatschappelijke actor een belangrijke rol te spelen. Dat ze hun verantwoordelijkheid opnemen, bewezen ze de laatste jaren. De totale werkgelegenheid is vorig jaar in Vlaanderen verder toegenomen met meer dan 20.000 arbeidsplaatsen. Dat de werkloosheidscijfers niet in gelijke mate dalen, komt doordat nog altijd steeds meer mensen zich op de arbeidsmarkt aandienen.
Geen resultaatEen positief aspect aan het voorstel-Onkelinx is dat het in de plaats komt van diverse andere bestaande aanwervingsverplichtingen voor jongeren. Dit kan de zaken eventueel vereenvoudigen. Hoe dan ook blijft het VEV moeite hebben met het 'verplichtend' karakter van de startbanen. Het is een niet-economische maatregel. Voorts leren ervaringen uit het verleden (zoals de jongerenstages) dat maatregelen met een verplichtend karakter op termijn geen enkel resultaat opleveren, omdat bedrijven zich snel aanpassen aan de nieuwe situatie. Een bedrijf dat een nieuwe medewerker nodig heeft, zal in plaats van aan te werven een jongere een startbaan aanbieden en die na een jaar vervangen door een andere jongere met een startbaan. Er ontstaat een verdringingseffect waardoor niet langer alle werklozen dezelfde kansen krijgen.
Waals probleemHet meest van al heeft het Vlaams Economisch Verbond moeite met het feit dat federaal minister Laurette Onkelinx een Belgische oplossing zoekt voor een Waals probleem. Volgens de meest recente NIS-enquête (1998) bedraagt de jeugdwerkloosheidsgraad (15- tot 24-jarigen) in Vlaanderen 9,6 procent tegenover 33,2 procent in Wallonië. Deze kloof wordt nog verder uitgediept wanneer men de sterkte van de Vlaamse versus de Waalse economie in rekening brengt.
De jeugdwerkloosheid in Vlaanderen is vergelijkbaar met die in Duitsland en Nederland. Wil men de arbeidsparticipatie van jongeren in Vlaanderen verhogen, dan moeten de oplossingen gezocht worden in meer en betere scholing, vorming en opleiding, in werkervaringsprojecten en in alternerend leren/werken. De werkloosheidsstatistieken geven duidelijk aan dat het vooral de lager geschoolden zijn die uit de arbeidsmarkt vallen. Daarnaast moeten de werkloosheidsvallen dringend weggewerkt worden.
ArbeidsparadoxHet probleem van de jeugdwerkloosheid in Vlaanderen is een beperkt probleem en dan nog vooral een van scholing. Het is dan ook de vraag waar de vele bedrijven, die nu al vruchteloos naar geschikt personeel zoeken, de jongeren gaan vinden die ze volgens het voorstel-Onkelinx een startbaan moeten aanbieden. Het aantal vacatures voor knelpuntberoepen net zoals het aantal openstaande vacatures bij de VDAB - die niet eens op de hoogte is van alle werkaanbiedingen - neemt van jaar tot jaar toe. En volgens de conjunctuurenquêtes van de Nationale Bank ondervinden steeds meer bedrijven belemmeringen wegens onvoldoende geschoold personeel. Kortom, vele Vlaamse bedrijven hebben, ondanks de nog te hoge werkloosheid, problemen met het vinden van voldoende geschikt personeel. Men noemt dit ook wel eens de arbeidsparadox. Startbanen voor jongeren zijn geen oplossing. Vlaanderen heeft vooral een probleem van vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt. Nergens is de arbeidsparticipatie van 55- tot 65-jarigen kleiner dan in Vlaanderen. Hier moet een oplossing voor komen.
DifferentiatieDe conclusie ligt voor de hand. Een Belgische oplossing voor een Waals probleem helpt Vlaanderen niet vooruit. Ook op het vlak van tewerkstelling en arbeid dringt zich een aan de regio's aangepaste politiek op. Een studie van de Europese Commissie (L.R. Pench, P. Sestino, E. Frontini, Some unpleasant arithmetics of regional unemployment in het EU. Are there any lessons for EMU?) toont aan dat in tal van Europese lidstaten het sociaal-economische beleidskader te sterk gecentraliseerd is, dat het geen rekening houdt met de regionale sociaal-economische verschillen. Deze verschillen worden door dit uniforme kader eerder versterkt dan afgezwakt, het remt de creatie van werkgelegenheid in het hele land en in het bijzonder in de minder sterke regio's. In de studie worden Italië, Duitsland en België genoemd als de landen waarin dit het meest uitgesproken het geval is. De Europese Commissie trok hieruit haar conclusies en probeert een politiek te voeren die meer inspeelt op de nationale én regionale sociaal-economische verschillen. De nieuwe aanpak werd voor het eerst toegepast toen de Europese Commissie de EU-lidstaten richtsnoeren meegaf voor de aanpak van de werkgelegenheid Het Belgisch actieplan hield hier evenwel géén rekening mee. En nu zijn er de startbanen. Het is dan ook de vraag wanneer de federale regering eindelijk haar conclusies gaat trekken.



Printervriendelijke versie
top